Rechten

Alle gedichten op deze blog zijn (c) Peter J.R. Vermaat. Niets hiervan mag zonder toestemming van de auteur worden overgenomen.

donderdag 16 april 2015

Ede kiest volksdichter

Dat het College van B&W geen natuurlijke verbinding met literatuur heeft, was al bekend uit het moeizame voortraject van de vorige Stadsdichterverkiezing drie jaar geleden. Wethouder Weijland deed daar gisteravond nog een schepje bovenop door - voorafgaand aan het bekendmaken van de winnaar - voor de hele zaal zelfs als Sinterklaasdichter hard door de mand te vallen.
Maar uit de uitslag van deze verkiezing blijkt, nog meer dan in 2012, dat zowel jury als publiek vooral behoefte hebben aan een stadsdichter die kan voordragen. De teksten die voorgedragen worden komen op het tweede plan.



Daarom viel er al in de finale niet meer te kiezen tussen wat (wat smalend) poëzie "uit de studeerkamer" genoemd werd en de poëzie van het podium. In de eindstrijd ging het tussen Arno Setz en Harry Oonk. Gezien het feit dat Arno, zowel in zijn teksten als in zijn voordracht wel erg veel leek op Nico Dijkshoorn, werd Harry Oonk de terechte winnaar van de verkiezing. Proficiat, Harry!

V.l.n.r. Arno Setz, PJRV, Harry Oonk


Uit het openingsgedicht dat scheidend stadsdichter Arjan Keene voordroeg, bleek dat Arjan sinds zijn verkiezing drie jaar geleden meer "literair" is gaan schrijven. Van alle voorgedragen gedichten was zijn gedicht naar mijn mening het beste. Dat lijkt een interessante ontwikkeling, zeker anneer je hem afzet tegen de neiging van de organisatie om meer te kiezen voor het "volkse" element. Ook de keuze van de muzikale omlijsting droeg bij aan die indruk. Dit jaar geen singer-songwriter zoals drie jaar geleden, maar een, weliswaar verdienstelijke, maar zeker niet virtuoze feestband.


V.l.n.r. Erik Hemelt, Jolinda van Alfen, Arno Setx, PJRV, Harry Oonk
Mij is na twee verkiezingsavonden inmiddels genoegzaam duidelijk geworden dat het pad dat Ede bewandelt en het mijne geen gezamenlijk richtpunt kennen. Om in een zaal en voor grotere groepen succes te oogsten met je voordracht, zul je je teksten daarop moeten aanpassen. Voor mij is op dit punt de uiterste grens wel bereikt. Uiteindelijk ben ik een dichter die in ieder geval gelezen wil worden. Dat ik daardoor minder zal worden gehoord, neem ik dan op de koop toe.
Dat gezegd hebbend, kan dit alleen betekenen dat dit de laatste keer was dat ik mij kandidaat stelde voor het stadsdichterschap. Er zal aan mij geen volksdichter verloren gaan. Dit geldt overigens ook voor andere Edese dichters en zeker niet de minste: Henk Knol, Hilbrand Rozema en Mart van der Hiele hebben zich nog nooit kandidaat gesteld. Ik bevind mij dus in goed gezelschap. 

[met dank aan Teunis Bunt voor de foto's]

zaterdag 31 januari 2015

Omzichtig genomineerd! (en je kunt er op stemmen)

Zojuist vond ik het volgende bericht in mijn mailbox:
"Met veel plezier mag ik je melden dat de jury van BoekGoud 2014 jouw boek heeft geselecteerd voor de longlist. Je hebt een mooie prestatie geleverd, en die is nu dus gehonoreerd met een plek bij de top 20 van beste boeken van 2014 die bij Boekscout.nl zijn uitgegeven. Gefeliciteerd met deze status!

Je plaatsing op de longlist betekent dat jij met je boek meedingt naar een plek op de shortlist. Daarop komen de vijf allerbeste titels van 2014 te staan. De auteurs die eind februari op de shortlist komen, worden uitgenodigd voor de spannende bekendmakingsavond op 20 maart a.s. in Soest. Op die avond weten we definitief wie de winnaar is van BoekGoud 2014.

Geniet van deze eerste erkenning van de jury voor je boek. Je hebt die verdiend!

De jury maakt in februari de shortlist op. Mocht jij ook daarvoor worden geselecteerd, dan krijg je daarvan eind februari weer bericht. 

Nu je met je boek op de longlist staat, is er ook een kans dat je de Publieksprijs van € 250 kunt winnen. Dat is dit jaar nieuw bij BoekGoud. We hebben die competitie zó opgezet dat jij zelf ook invloed hebt op je kansen. Zorg dat je zoveel mogelijk mensen die je kent, via Facebook, e-mail of Twitter laat weten dat ze op jouw boek kunnen stemmen! Hieronder vind je een directe link die je kunt gebruiken in jouw ‘wervingscampagne’.  Heel veel plezier, en succes hiermee!"

Hierbij is de wervingscampagne dus begonnen. Stem op mij!


donderdag 29 januari 2015

Omzichtig gelezen 35 (slot) - het laatste woord is aan Papaver


Ik ben normaal niet het type lezer dat kaften bekijkt. Ik blader meestal. Voor de nieuwe bundel, zijn eerste blijkbaar, van Peter J.R. Vermaat maak ik toch een uitzondering. Omdat ik over die foto iets kwijt wil, ik neem aan van zijn zoon, die daar op een heuveltje ergens naar links staart, naar iets wat zich buiten beeld bevindt: die lijkt namelijk gefotoshopt!
Alsof die kleine daar achteraf gewoon in dat landschap werd neergezet.

Natuurlijk is dat niet zo, dat weet ik uit goede bron. Het is een vreemde samenloop van omstandigheden, van licht, van verte, van afstand, van perspectief. Maar het is wel een mooie gelegenheid om dit als intro te gebruiken, want de dichter Vermaat is nu niet meteen een erg toegankelijke dichter. Of is dat maar een eerste zicht, en vergis ik mij. Net zoals ik mij vergiste in die foto op de kaft?

Ik denk dat ik bij het lezen de waarschuwing van de dichter in aanmerking had moeten nemen: omzichtig. De titel van de hele bundel, en misschien bedoelde hij wel dat het heel omzichtig is geschreven, maar net zo goed heel omzichtig moet gelezen worden.
Ik haal eerst maar mijn favoriete taal en beelden naar boven, zo lukraak alsof ze daar zijn neergegooid. In ‘Amersfoortsestraat’ probeert Peter J.R. Vermaat hoe je een beeld van je jeugd, familie, en eeuwigheid gebald in woorden krijgt:

‘Hier stond mijn wieg. Tussen de oude mannen/
werd ik met schuurpapier verschoond/
en smoorden kussen het verwezend huilen.’

Het moet pijn gedaan hebben, zo terug aan je kindertijd te mogen denken, maar het werkt schitterend door. Bovendien lees ik hier zoveel ‘s’-en in drie regels dat het lijkt alsnog het verleden probeert daarover te zwijgen, ‘sttt’, vinger op de mond, meer hoef je in deze poëzie niet bloot te geven.
Ook de moeder wordt niet erg gespaard:
‘de woorden van mijn moeder bleven stug’, boerentaal waarin liefde en vloeken zo dicht bij elkaar liggen dat kinderen daar nauwelijks onderscheid in maken.

Hoe trek je de lezer in je verhaal, betrek je de lezer in je taal?
Zo dus, in het gedicht ‘Wilbrinkbos’:
‘...wijken de paden achterwaarts uiteen/
om argelozen in hun eeuw te lokken.’

Alsof de paden daar hun heel grote armen opendoen, prachtig beeld van wat eerst ontvankelijkheid lijkt, maar eigenlijk veel meer een bijna brutaal binnentrekken is van de argelozen in hun eeuw, in hun vroeger. Ik ben binnen, als lezer! En in de laatste strofe heeft het nog maar eens over de achteloze lezer:
‘Talloos de onbekenden, die aan voetstappen/
niet meer herkenbaar zijn en zeldzaam nu/
de wandelaar die hier mijn sporen vindt.’

Ik denk dat de schrijver daar heel sterk in is. Schrijven over al dat verleden, hoe dat bij elkaar te houden, terwijl er helemaal geen houden meer aan is, het landschap verdwijnt, verandert, en tegelijkertijd proberen af te rekenen met je eigen verleden, in taal.
De dichter is daar heel berekend in. In ‘uitgeweken’ krijgt het landschap niet alleen geluid, maar ook taal, die een beetje staat te patrouilleren, de dichter probeert zich vakkundig te verbergen, en ontspoort in vandaag en valt terug in toen:
‘aanzwellend en wegstervend hoor ik treinen/
achter de grauwe bossen patrouilleren,/
met open ogen glijd ik uit het spoor.’

En dan dat prachtig beeld van toen, dat als een sprookje aan het werk gaat, niet meteen vredelievend, maar toch:
‘...de duisternis die je van achter nadert/
fluistert in je oor en op je schouder leunt.’

Om meteen door te gaan naar angstige beelden in ‘Grijze Veen’, waar meisjes met lichtgevende ogen blijven rondspoken, in een kermisbeeld dat nooit prettig blijkt geweest te zijn, en het ook nooit zal worden.
‘kronkelend bospad met als dwaallichten/
maanspiegelende ogen. Vogelvrij de meisjes/
die van een koude kermis niet thuiskomen.

Met als gevolg dat de dichter geen grond meer heeft om nog te aarden, angst neemt het over, samen met dat scherp beeld, en ingehaakte taal in een gedicht op pagina 23: ’Hell’
‘met houten benen, kromgetrokken voeten/
stel ik het wortelen voortdurend uit/
omdat de aarde dorst en honger heeft.

Trouwens een hele mooie omschrijving van zijn eigen poëtica, denk ik dan. Op het eerste zicht geen grond vinden, wortelen zou hier net hetzelfde als schrijven kunnen zijn, of het vangen van beelden, vegen in het nu, in vandaag, om vroeger terug te vinden in een hopeloze zoektocht. Aarde slurpt alles op, het verleden en het heden, in dat oerbeeld van dorst en honger, moeder natuur die onverzagdigbaar blijkt.
Maar het tweede zicht is anders. Wat eerst niet lijkt te lukken wordt aardig gevangen in taal, in drie simpele regels en eigenlijk in dit hele gedicht. Zijn sonnet, dat er nooit een hoefde te worden, eindigt met taal die vakkundig doet wat op het eerste zicht nooit lukte:
‘... hier op de zandgrond groeit niets dan langzaam / onbrandbaar vlas, donker en onverbeterlijk,/ wie ook de vossen door de velden jaagt.
Ik vrees dat ik mijn leesvossendoor zijn donker en onverbeterlijk onbrandbaar vlas aan het jagen ben. En dat ik dat met heel veel leesplezier doe, jagen in zijn taal.

En daar zit net het plezier in dit hele bundel. Peter J.R. Vermaat probeert naar vroeger te kijken, het toen in het taalkundig vizier te nemen, en dat terug te krijgen naar vandaag, met veel gevraag, met beelden die eerst letterlijk worden opgenomen uit zijn geheugen, om dan met taal van vandaag een injectie te krijgen. Het gevolg is dat het hele bundel niet in de verleden tijd komt te staan, niet in de tegenwoordige tijd, maar in de omzichtige tijd. Tijd die je als lezer nodig hebt om zijn verhaal op te nemen, te herkauwen, te genieten. Bovendien hebben die beelden die elkaar in taal kruisen nogal een gevoel van unheimlichkeit, van sprookjesachtig verval, van gevaar, van afrekeningen. Misschien is dat nu net wat de schrijver in heel dit bundel poogt te doen: afrekenen met het kind van vroeger, met de dichter van vandaag en zien dat het niet lukt, op het eerste zicht.
En daarvan een tweede zicht maken, iets met zicht naar toen, omkijken, omzichtig zien dat je zonder herinneringen in een gat valt, een gat dat de dichter nota bene zelf gemaakt heeft, schrijnvederwijs,een ‘Zeumerse Gat’ op pagina 20, een prachtige gedicht waar beeld en taal 18 regels maken in een sonnet dat er nooit een wil worden en het desondanks toch is.

Dat is wat er met mijn leeservaring ook gebeurt. Van zijn taal schrokken, en niemand die mij de oever hoeft op te sleuren. Ik voel me thuis met open mond, omzichtig, voorzichtig.

Papaver




Omzichtig is te koop via uitgeverij Boekscout: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5183

dinsdag 27 januari 2015

Omzichtig gelezen 34 - Spoorloos

Het is alsof de schrijver mij vraagt: ‘Zou je het weer doen?’, ‘Dit alles lezen?’, ‘Is, was het de moeite waard?’

Mooi hoe hij het type schets door slechts te spreken van ‘uilebril’. En ook hier eigenwijs de –n- weglaat, zoals we eerder al zagen in b.v. Beulekampersteeg [ruggemergen] en in Kolkplas [ganzepas en flessehals].

Daarover zei:

"Aangezien ik geen volger ben van lieden met vlinderdassen (Taalunie, Onze Taal c.s.) verwerp ik de tussen-n (dus ruggEmerg hier). Dan weet je dat, zal vast verderop nog wel eens aan de orde zijn...."

Mooi gekozen ook vind ik ‘babbelaar’, dat ook suikerbal of stroopklontje betekent.
Vroeger zei men hier in Limburg babbeler tegen een zuurtje of snoepje. Die laatste e wordt in de uitspraak betoond en klinkt als het blaten van een schaap;-)

Prachtig ook het eerste kwatrijn. Hoe hij duidelijk maakt.

Die lijn is opgeheven in de vorige eeuw.

Nu is hij terug. In 2009. Hij is dus lang weggeweest. Ho oud zou hij zijn nu?

hoorde haar nog wat mompelen van rovers.

Ook dat is blijkbaar anders dan toen, hoewel rovers inwisselbaar is. Het kan een metafoor zijn voor..

Nu lig ik afgeschreven in mijn eigen vuil,
met wat ik schreef moet ik mijn reet maar vegen
als het mij niet genoeg voor mondkost is.
Mijn kinderspeelgoed heb ik uitgekauwd.


Intrigerend het ‘afgeschreven’ in deze eerste regel van het tweede kwatrijn. Alsof hij zeggen wil: ‘het is klaar, gedaan, ik ben niks, ik was niks en met wat ik schreef, daar moeten jullie het maar mee doen’. ‘Daar moet ik het mee doen’. Het klinkt moedeloos en uitgeput en ja ook ‘hard’. Hij is er klaar mee. Genoeg is genoeg.

Wat ik bezat, is alles uitgeroepen
tot nietsnut, doorbrenger en zottekop.


Een switch achter de komma. Weer dat risico. Het intrigeert en geeft mij het gevoel, iets niet te weten. Dit klinkt wel heel ironisch, sarcastisch zelfs.

‘Ik lijk wel gek’, zegt hij. ‘Meer dan dit ben ik niet’. ‘Kan ik niet’. ‘Er was geen ruimte voor’.

Gemeentewerken ruimt de rest maar op.


‘Gemeentewerken’. Weer die dubbele betekenis in die aller- allerlaatste regel.
God ruimt de rest maar op. Hij ontfermt zich maar over het land en de bossen.
En ja, gemeentewerken ruimt de rest maar op. Het puin, dat uit het huis kwam.
De ellende.


Zoals ook Achterberg’s Spel van de wilde jacht besloten wordt door een “sotternie”, krijgt ook Omzichtig een afsluiting in een spottende toonaard. De titel Spoorloos duidt op het niet langer aanwijsbaar en volgbaar zijn van de sporen die de “ik” in het verleden gemaakt heeft, mogelijk doordat hij alles omgezet heeft in taal. Het woord “zottekap” kan zowel wijzen op een mombakkes als op het “kappen” als werk van een gek, een zot.

Strofe een begint op een station, waar een meisje achter het loket met een uilebril op (verwijzing naar de uil in Kolkplas) verbaasd de vraag van de “ik” herhaalt. Deze wil blijkbaar een “enkele reis” naar “Omzichtig”, dat hier de naam van een plaats geworden is. Hij wil erheen en is niet van plan terug te keren. De “babbelaar” in regel 3 kan duiden op een snoepje, maar ook dat het meisje een kletsmajoor is, die het gebeurde binnenkort wel zal rondbazuinen.
In strofe twee meldt het meisje dat “de lijn is opgeheven in de vorige eeuw”, dus dat er in elk geval geen trein meer naartoe gaat, maar alleen een “voetpad door de bossen”. Er is dus geen officiële “verbinding” meer mogelijk, de “ik” zal zijn eigen weg terug moeten vinden. De “ik” gelooft de boodschap echter niet en “wees haar af” en keert vervolgens terug op zijn schreden: “maakte rechtsomkeert”.
In strofe drie is sprake van dat de “ik” is “afgeschreven” en in zijn “eigen vuil” ligt. Van wat hij schreef is hij blijkbaar niet beter geworden, hij lijkt eerder op een zwerver die ook zijn laatste onderdak is kwijtgeraakt. We denken weer aan Slauerhoff: “alleen in mijn gedichten kan ik wonen”. Zijn herinneringen zijn beschadigd. In de laatste regel van deze strofe worden ze zelfs uitgekauwd kinderspeelgoed genoemd.
Strofe vijf  en zes geven een cynisch of zelf sarcastische blik van de “ik” op wat hij van zijn verleden heeft kunnen maken. Het heeft hem niets gebracht en wat hij had, in in hem verloren gegaan. Hij rouwt om het verloren gaan van wat was en is niet trots op wat hij ervan heeft kunnen maken.

De rommel ligt klaar voor de opruimingsdienst.

Of het moet gaan gaan om “gemeentewerken” of “gemeen te werken” (waarbij “gemeen” zowel “gezamenlijk” als “bedrieglijk” kan betekenen), blijft aan de lezer.

Omzichtig is te koop via uitgeverij Boekscout: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5183

zaterdag 24 januari 2015

Omzichtig gelezen 33 - Damnatio memoriae

Toch maar even. Om de nadruk te leggen op:

Een postscriptum (Latijn, "naschrift") kan in informele brieven worden toegevoegd nadat de brief zelf is ondertekend. De juiste afkorting is PS, niet gevolgd door een punt maar wel door een spatie. Het eigenlijke naschrift begint met een hoofdletter. Het PS heeft geen directe relatie met het in de brief beschrevene; anders stond die informatie immers wel in de brief zelf.

Het postscriptum is bij elektronische brieven en berichten nog altijd in gebruik, ook al kunnen zulke boodschappen na voltooiing nog bewerkt worden, waarbij het PS wordt ingevoegd. Meestal wordt dit door haast van de schrijver verzuimd.

De aandacht van een lezer wordt soms sterk naar het (immers apart gezette) postscriptum getrokken. Dit gegeven wordt in commerciële mailings vaak gebruikt om nog eens te bevestigen welk voordeel de lezer kan behalen.

Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Postscriptum

=

Damnatio memoriae > Damnatio memoriae (Latijn: "vervloeking van de nagedachtenis") is de sinds de 17e eeuw gangbare term voor het onteren van een dode door het wegnemen van de herinnering aan die persoon uit de collectieve herinnering. Vormen van dergelijke ontering zijn bekend sinds de tijd van de Akkadiërs.

Zie ook:

Damnatio memoriae: modern name for the official condemnation of the memory of a Roman emperor by the Senate. It is the opposite of apotheosis, which means that a deceased emperor is believed to have ascended to heaven.
The balance of a reign was made up after the death of an emperor, when the Senate convened and decided whether the ruler had become a god and deserved a public cult (a practice that was known from the Hellenistic world and was introduced in Rome after the death of Julius Caesar). When there was not doubt about the succession, the apotheosis was self-evident. When Hadrian died in 138 and the Senate hesitated, his successor Antoninus Pius made sure that the dead man was recognized as a god.

An inscription from which the name of the emperor Geta has been eased (Rijksmuseum van oudheden, Leiden; full text) On other occasions, however, debate was more serious.

Bron: http://www.livius.org/da-dd/damnatio/damnatio_memoriae.html
http://www.livius.org/a/1/emperors/sparta_aquilia_severa_nam1.JPG

=

Ook dit is weer een prachtig, zelfs ontroerend gedicht. Ik kan slechts vermoeden.
Af gaan op wat de woorden, de beelden, de klanken in mij oproepen.
Het gedicht opent fantastisch.:

Ik slijp de beitels voor het beulenwerk:

Binnenin hem. Alsof het zeggen wil: ‘kom op, het moet gebeuren’/ ‘Je moet beginnen’/ ‘recht je schouders’ / ‘het moet’.

klanken, aan mij verwant, moeten het nu
in alles wat ik opschreef gaan ontgelden.


Hij heeft het werkelijk opgeschreven en nu, nu toetst hij dat alles aan de werkelijkheid. Aan de omgeving.

Plaatsnamen sneuvelen, wat uitgesproken
is gaat voor de bijl, ja zelfs de spiegeling
in stilstaand water voer ik grimmig af.
Mijn binnenhuis wordt langzaam vlekkeloos.


Onderweg naar het ouderlijk huis, misschien wel om het te verkopen, af te handelen wat afgehandeld moet, heeft hij gezien, geobserveerd wat er allemaal veranderd is in deze streek. Grimmig is een wel heel goed gekozen woord. Ook zegt deze strofe mij, dat hij afscheid aan het nemen is. Daadwerkelijk, maar ook in zijn hoofd en hart. Keert hij dat de rug toe, wat hem zo bezighield, hem zo veranderde, hem maakte tot de man, die hij geworden is. ‘zelfs de spiegeling in stilstaand water’. Ik ken het gevoel, maar beschrijven is lastiger. Een prachtige regel overigens. Ook ik heb ooit het ouderlijk huis moeten verlaten, vlak nadat mijn vader overleed. Ik was zestien. En ja, dan streel je zelfs nog een deurklink, of kijk je naar die spar, centraal in de tuin en ziet de kleuren en het licht, om liefst nooit meer om te draaien. In een soort van trance.

Maar hier. Ik proef ook iets van gelatenheid. Van vrede hebben met. Veel was er al verwerkt blijkbaar, maar dit is wat nog rest.

Vanuit de tuin laat ik het roestig hek
achter mij knerpen, kies een kronkelpad
door braamstruiken, proef dan pas bloed.


Hij gaat zelfs nog een stap verder. En ja. Daar is moed voor nodig. Hij kiest ervoor naar de bossen te gaan. Terug te gaan. En daar, ja daar breekt hij [in tranen uit].

Ik moet nu zó denken aan die eerste strofe uit de proloog:

Ik kan alleen nog denken aan de bossen
waarin ik ooit uit kleine ogen zag
en uren op de grond te horen lag.



Het gedicht Damnatio memoriae is gekoppeld aan Geboortgrond. Waar dat gedicht eindigt, met de handen die de “ik” altijd trouw gebleven is, al smeekte hij dat ze werden afgehakt, zijn nu aan het werk. Het is niet vreemd dat de “ik” wenste dat ze er niet meer waren, want deze handen zijn op hun beurt aan het hakken en beitelen. “Klanken, aan mij verwant” moeten het ontgelden, evenals plaatsnamen, woorden die de “ik” uitsprak en wat hij rook of tastte, ja zelfs zijn spiegelbeeld wordt door deze handen vernield.
Wat gebeurt hier? Het gedicht is een post scriptum, het vindt plaats “nadat er geschreven is”. De herinneringen van de “ik” worden kapotgemaakt. Zodanig, dat zijn “binnenhuis” langzaam “vlekkeloos” wordt. De binnenkamer wordt leeg en schoon.
Behalve dat dit gedicht een poëticaal karakter heeft, gaat het tevens over het verloren gaan van de eigenlijke herinnering wanneer daarover geschreven wordt. Door taal te koppelen aan de herinnering, wordt hij deels concreet, maar verliest hij ook aan karakter doordat de aan de beelden verbonden kleuren, geuren en oppervlakken niet mee gaan de taal in. Van een geestelijke herinnering wordt hij een beschreven beeld of verhaal en wordt hij ook anders van aard, doordat er klank en ritme aan gekoppeld wordt. In feite vernietigt het schrijven over de herinnering de herinnering zelf en zet er taal voor in de plaats. Het poëticale gegeven zit hem in het feit dat een al te persoonlijke herinnering nooit in taal “aan te stippen” is, dat wil zeggen niet aan een andere lezer dan de schrijver zelf kan worden overgebracht. Pas wanneer de herinnering slechts aanleiding is en grond is geweest voor taal die andere lezers wel aanspreekt, kan hij in taal bestaansrecht hebben. Daarmee is de eigenlijke herinnering, het uitsluitend-persoonlijke, verloren gegaan.
Dit is het “schrappen” dat de dichter doet, het verwijderen van het al-te-persoonlijke uit de tekst. In feite het wegbeitelen van alle “ik” uit de tekst.

In strofe vier verlaat de “ik” de tuin, waar hij in Tuin binnengekomen was, door het tuinhek, dat roestig is en knerpt. Ik heb dit in andere gedichten gebruikt al symbool voor het sterven en die bijbetekenis bevalt me hier ook wel. Er is vervolgens sprake van een “kronkelpad”, dat terugwijst naar zowel Wilbrinkbos als Didymus en van “braamstruiken”, reeds bekend van Tuin en Paardeheuvel
In de laatste passage “proef dan pas bloed” zijn meerdere betekenissen te lezen: de “ik” realiseert zich dan pas dat hij “er niet meer is” of hij merkt dat hij met zijn bloed aan de grond is verbonden. Met een parallel aan Wikselaar zou je eventueel kunnen zeggen dat hij de smaak (van het doden?) nu pas te pakken heeft en dorst heeft naar meer. Of misschien toch dat hij instinctmatig zijn handen naar zijn mond brengt om de doornen eruit te trekken en bloed proeft. Zijn ze nu wel afgehakt? De cirkel is daarmee rond.

Omzichtig is te koop via uitgeverij Boekscout: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5183

woensdag 21 januari 2015

Omzichtig gelezen 32 - Tuin

Ja, en daar staat hij dan. Ik zie hem staan. Kijken, draaien, herinneringen ophalen.
De regel die me verbaast:

zodat ik vergat en de dag niet meer liefhad.

want waarom zou je de dag niet liefhebben, als je in het gras ligt en omhoog kijkt.
Blijkbaar werd hij er juist somber van. Was hij niet gelukkig. Of het moet zijn, dat hij in het gras lag ná de gebeurtenissen, die zijn leven zo veranderden.

de vogels die van nog veel verder vertelden Als getuige van.

Het zou kunnen.

Een mooie slotstrofe, met een wel heel intrigerende laatste regel. Hoe deprimerend is dit weerzien. En nog steeds. Hoe moeilijk is het om alles weer onder ogen te zien.

Maar ik kijk er al lang overheen en ik zie

zelfs geen spoor van een weide met kleuren,
nu de wind zijn handen verscholen houdt.


In dit gedicht, dat gekoppeld is aan Ouderlijk huis, valt het ontbreken van metrum en  ritme op, alsof de tekst wil verbergen dat het een gedicht is. Er schokschoudert iets in de taal, alsof er verdriet is dat niet getoond mag worden, maar niet geheel ingehouden blijft.
De “ik” denkt aan de tuin waaromheen een schutting stond. Is het de tuin achter zijn ouderlijk huis? Hoewel het de bedoeling van de schutting was om binnen de tuin te blijven (of om anderen erbuiten te houden?), ontdekte de “ik” ooit een gat in de schutting. De reden dat dit niet door volwassenen gezien was, is misschien wel dat de “ik” het alleen “kruipend” kon ontdekken. Aan de andere kant van dat gat in de schutting was een weide met gras en bloemen, waar vogels “van nog veel verder vertelden”. Hierdoor “vergat” de “ik” en had zelfs “de dag”, de werkelijkheid van alledag, niet meer lief. Dit zou de ervaring van een kind kunnen zijn dat in aanraking komt met de wereld van de fantasie, de dagdroom, de ervaring van iets wat groter is dan zichzelf.
In strofe drie is de “ik” na jaren weer terug in de tuin, die als klein en benauwend wordt ervaren. De omheining is inmiddels overwoekerd door een braamstruik en het is niet vreemd dat alle tuinpaden nu “tot pijn” leiden. De doornstruiken zijn immers overal rond de tuin. Mogelijk is dit een verwijzing naar het sprookje van de Schone Slaapster, maar het verwijst in ieder geval naar de “doornen” uit Paardeheuvel. Anders dan daar, waar de “wij” door de doornen heen moeten om weer in de wereld van alledag te komen, wordt het hier door de doornen onmogelijk gemaakt om daaruit te gaan en weer in “de weide” te komen.
Strofe vier begint met “maar ik kijk er al lang overheen”. Dit kan betekenen dat de “ik” inmiddels lichamelijk zo gegroeid is dat hij over de schutting heen kan kijken, maar ook dat hij dat alles niet langer opmerkt, dat de beklemming van de tuin voor hem niet langer aan de orde is. Hij ziet echter “geen spoor van een weide met kleuren”, ook de “andere wereld” is inmiddels buiten zijn bereik.Dit wordt veroorzaakt doordat “de wind zijn handen verscholen houdt”. Het was blijkbaar de wind die de planten opzij blies en een opening in de schutting toonde. Maar de wind is tevens het symbool van de geest, die bij de “ik” kennelijk geen vervoering meer teweeg kan brengen.

Op een nog dieper leesniveau kan “de tuin” wijzen op het paradijs, de Hof van Eden. Dan is het niet de achtertuin van het ouderlijk huis, maar de weide die dit paradijs belichaamde. Dat paradijs is inmiddels door doornstruiken, maar vooral door “er overheen kijken” voor de “ik” onbereikbaar geworden.

Ook hier wordt zichtbaar hoeveel de wereld veranderd is en hoe zeer de "ik" ervan is losgeraakt. In mijn eigen werkelijkheid is er een huis gebouwd op de plaats van de weide-van-vroeger en hebben de paden in het bos achter mijn ouderlijk huis zich verlegd. Vertrouwde bomen zijn gekapt, nieuwe, onbekende, zijn in plaats daarvan hoog en groot geworden. Om ooit te kunnen her-kennen zullen zij opnieuw veroverd moeten worden.

Omzichtig is te koop via uitgeverij Boekscout: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5183

maandag 19 januari 2015

Omzichtig gelezen 31 - Drieberg

Voor de ligging van Drieberg zie:
http://www.stratenboek.com/Nederland/Amersfoort/Drieberg/index.html

en voor een foto zie:

http://farm1.static.flickr.com/106/293086887_641a0dbe96.jpg?v=0

=

Een zonsondergang. Hij heeft visioenen van haar, die hij vermoordde in 'Carpe Mortem'? Gaat zijn herinnering met hem op de loop? Het 'bekleedden' duidelijk in vt. Kan hij leven met die last op zijn schouders? Schrijft de schrijver: 'nu ik het bloed van overwinning proef'. Heeft hij visioenen. Van hem en haar, waarin hij zich gelukkig weet. Droomt hij van haar. Mooie dromen. Komt het realiteitsbesef met het wakker worden.

Hoe dan ook, hier laten zich weer prachtige regels lezen:

Wonderlijk licht begroeit de heuvelrug

tegen zonsondergang. Onzichtbare muziek
sluipt in mijn hoofd en fluistert dat je huivert.




De “meid” van Zeumerse Gat is nog aanwezig, maar de stemming is er flink op vooruitgegaan. Er is sprake van “wonderlijk licht” dat in de zonsondergang op de heuvels lijkt te groeien. De zintuigen horen en zien zijn in verwarring: er is sprake van “onzichtbare muziek” die “fluistert dat je huivert”.
In strofe twee is sprake van een “jij” die blijkbaar gereed was om naar de “overzijde” te gaan. Deze “jij” was bekleed met windsels, als lezer denk je aan een mummie. Maar deze windsels zijn nu los en de “jij” is “aantastbaar”. Dit is een ambivalentie. Er staat niet “tastbaar”, aanraakbaar, maar “aantastbaar”, dus kwetsbaar, met de mogelijkheid teniet te doen, te vernietigen, de reis naar de overzijde af te breken. (Is het heel vreemd om nu bij “Drieberg” ook even te denken aan de drie piramides van Gizeh, immers ook “grafheuvels”?) De “ik” proeft “het bloed van overwinning”, denkt deze ander weg te rukken uit de dood. Ik denk aan het meisje uit Carpe mortem en ook aan de “jij” uit Solse Gat. Kunnen deze daden weer ongedaan worden gemaakt? Bij “het boeld van overwinning” denk ik ook aan Wikselaar, waar hetzelfde bloed werd geproefd, maar waar vervolgens doden vielen.
Strofe drie toont een koortsige wirwar van beelden, eerst “te paard”, meteen daarna “wolvin en hert gelijk” (de “ik” wordt als hert door de “jij” als wolvin achtervolgd), vervolgens “adelaar en zwaan” (nu is de “ik” weer de jager en de “jij” de prooi), “totdat onze vervulling overvleugeld is”. Normaliter betekent “overvleugeld” hetzelfde als “overwonnen”. Dat zou hier kunnen wijzen op een hogere en grotere macht, die krachtiger blijkt dan de eenwording van deze twee. Je zou er zelfs nog een verwijzing naar de “overvleugeling” van Leda door Zeus (als zwaan) in kunnen lezen.
In strofe vier wordt het ochtend, worden beiden zich daarvan ook bewust. Hun nacht is voorbij. Eerst is het nagevoel nog glorieus en blinkend (“gouden engelen”), maar deze stemming slaat vrijwel meteen om naar “purperen demonen”, die bovendien de situatie met beschuldigende vingers aanwijzen: “die kille vingers wijzen naar je vale huid.
De “jij” moet worden overgeleverd aan de dood.

De “Drieberg” is een groep van drie grafheuvels op de Ginkelse Heide, in de buurt van Ede. Ik heb lange tijd getwijfeld of de titel. Door de locatie De zeven bergjes (eveneens grafheuvels, maar veel dichter in de buurt van Voorthuizen) voor de hand hebben gelegen, maar die plek mist het uitzicht en het open karakter van het landschap dat je in het gedicht vindt en dat op de Drieberg ook aanwezig is.
Een - voor mij minstens zo belangrijke - tweede reden is echter dat de foto die ik in gedachten had bij de voorkant van de bundel (en die nu zowel voor- als achterzijde siert) genomen is op de Drieberg. Op die manier vormt hij een biografische knipoog naar de lezer die dit alles weet en aan dit soort grapjes voor ingewijden beleef ik veel plezier.

Omzichtig is te koop via uitgeverij Boekscout: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5183

zaterdag 17 januari 2015

Omzichtig gelezen 30 - Wikselaar

Ik vraag mij vooral af, of ik geschiedkundig iets mis. Ik dacht, laat ik google eens raadplegen. “Wikselaar” geeft 11.700 zoekresultaten.

Leuk om te lezen wellicht voor de flarfliefhebbers, maar ik kwam het volgende tegen:
‘ Geschiedenis van het geslacht van Rootselaar ... Dronkelaar, Korlaar, Ramselaar, Krumselaar, Bakelaar, Bekelaar, Vinkelaar, Wikselaar en Zeggelaar’.

De uitgang ''-laar'' 'of ''ler'' (=open, ontgonnen plek in het bos, waar dan vaak een al dan niet versterkt huis werd gebouwd) ….

Hier gebeurt het dus. Dat wat ik vermoedde. De aanleiding is me niet geheel duidelijk.
Het duurt dan ook lang, voordat het typen begint. Alle voorafgaande speelt. De omstandigheden, de omgeving, de ontbering, de geloofsbarrières, de onderlinge conflicten.
Alles speelt zich af in een boerenomgeving, waarbij ik mij kan voorstellen, dat opleiding en algemene ontwikkeling van invloed zijn geweest. Tenslotte is de agressiviteit van de mens vooral van belang in verband met de voor de mens wezenlijke vorming van idealen. De mens kan bereid zijn voor een ideaal zijn leven in de waagschaal te stellen, kan bereid zijn voor zijn ‘waarheid’ het leven te offeren. De leuze ‘liever dood dan slaaf’ is daarvan een duidelijk voorbeeld. [http://www.dbnl.org/tekst/roli001pole01_01/roli001pole01_01_0013.htm]

Raymond Aron: Paix et guerre entre les nations, Paris 1962, blz. 364: de oorlog ‘n'est pas une expression nécessaire de la combatinité humaine’. Agressiviteit heeft met oorlog te maken in verband met de voor mensen wezenlijke eigenschap idealen en waarden te aanvaarden. ‘La difficulté de la paix tient plus à l'humanité qu'à l'animalité de l'homme. L'homme est l'être capable de préférer la révolte à l'humiliation et sa vérité à la vie’. Zo ook A. Buchan: War in Modern Society London 1966, blz. 9.

Het gedicht als gedicht.

Twee regels, die ik in het zonnetje wil zetten. Knap hoor!

Wij haalden weinig meer/dan negen en twee grote zwarte honden,/samengedreven bij de achterlijn.

Ik opteer voor ‘op de achterlijn’.

We kregen kaken en gespierde poten,/proefden het zweet dat smaakt naar meer,

‘Het zweet dat smaakt naar meer’. Het feit, dat de schrijver voor t.t. kiest, geeft een extra betekenislaag aan ‘zweet’ en ‘smaakt’. Alsof het niet alleen toen naar meer smaakte. Alsof het bloeddorstig zijn, iets was om te vieren en naar uit te kijken. [En zijdelings is daar de link naar seks, al dan niet suggestief]. Eigenlijk geeft dit kleine verschil een extra dimensie aan de gehele strofe. Mij zet het er in elk geval toe aan, om het gedicht wéér te herlezen.

Nog een regel die opvalt:

En riepen met een rode mond van overmoed.

Bloedrode mond. Wanneer de schrijver iets minder lidwoorden wil, een van de twijfelaspecten in dit gedicht, dan is dit een optie. De betekenis ligt er toch al bovenop.

Het duurt lang, maar dat slot. Als vervolg op: ‘we maakten hen met de grond gelijk’:

Bij zonsopgang gromden de graafmachines.

I wonder. Waar staan die graafmachines voor? Voor hetzelfde geld is het namelijk een metafoor.
Ik kan me voorstellen, dat na een dergelijke nacht, [ik heb aangenomen, dat e.e.a. zich afspeelde in de nacht], wellicht omdat ik van de zonsopgang [tijdsduiding] al eerder las], wanneer het vechten, het doden, is gedaan, men in het bloedbad staat met beide handen in de zij en zich vraagt: ‘wat nu’? Ook met een zwaar hoofd en een zwaar hart moet er worden opgeruimd. Het leven gaat door.


Het buurtschap Wikselaar bij Voorthuizen bestaat eigenlijk niet meer sinds men er in de jaren tachtig een nieuwe woonwijk heeft gebouwd. Ik ken het nog van voor die tijd en uit de tijd dat men met de voorbereidingen van de bouw begon. In die tijd speelt het gedicht en zo is de verwijzing naar de rood-witte palen (namelijk van de landmeters) letterlijk te lezen. Ook de graafmachines horen daar op het anekdotische leesniveau bij.
Zoals de meeste jongens in die leeftijd hadden wij een bende (van de Rode Hand om precies te zijn) en verzonnen wij een ons vijandige andere bende (van de Zwarte Hand uiteraard). In dit gedicht ontmoeten de twee bendes elkaar op het voetbalveld.

Uiteraard is er in de taal meer aan de hand. Door de dreigbrief en ondanks het verschil in aantal, wordt de Zwarte Hand van dreiger tot doelwit. Hun schijnbare numerieke overwicht van elf tegen negen wordt door de honden onmiddellijk tenietgedaan. De twee zwarte honden die de bende van de “ik” versterken komen ook niet voor niets hun diensten aanbieden. Ze komen rechtstreeks uit de laatste strofe van Grijze Veen geslopen en hebben kwaad in de zin. In het gedicht is “bij de achterlijn” essentieel, omdat daarmee wordt aangegeven dat de achterlijn het uiterste terugwijkpunt is (je kunt er dus niet op staan, als je er niet voor blijft, val je ergens in). Zo wordt een potje voetbal tot een gevecht op leven en dood.
De makkers van de “ik” proeven bloed, het spel wordt dodelijke ernst. Het bloed smaakt naar meer. Dankzij de twee honden worden de tegenstanders “met de grond gelijk” gemaakt. Dat doen de graafmachines ook. Zand erover.

Op een nog dieper niveau kun je de “wij” opvatten als de handlangers van de bouwers, degenen die het oorspronkelijke landschap vernielen.

Omzichtig is te koop via uitgeverij Boekscout: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5183

dinsdag 13 januari 2015

Omzichtig gelezen 29 - Stoet

Tijdelijk had ik het gedicht Houtwal aan de serie toegevoegd, maar inmiddels maakt het er geen deel meer van uit. De thematiek is verwant, maar in mijn ogen staat hij doordat de “ik” de personificatie van een houtwal is, toch enigszins buiten het gegeven van de serie. Ik zie in de serie ook geen gedicht waarmee Houtwal gekoppeld zou kunnen worden. Daarom blijft hij er definitief weer buiten. De leesbeleving van Lilian C neem ik voor de volledigheid wel op.

Ja, de laatste wachter van het woud. Wat heeft het hem gekost vroeg ik zoveel eerder. Alles zou je zeggen. Hij heeft zoveel verloren, maar niet alleen hij. Er gaat zoveel verloren. En niet alleen in Nederland. Op de Veluwe. En wij weten het allemaal. Prachtig, zoals HSP dit hier in beeld heeft gebracht. Het is als een film, die ik nooit meer vergeten zal. Dat vooral is wat het mij opgeleverd heeft. Ik had die film niet op deze manier kunnen bekijken, had ik de gedichten in hun geheel twee of drie keer doorgelezen.

Uithijgend akkerland heeft zich in diepe voren
tegen mij afgezet. Het geeft zijn diepte prijs
waar ik mij kronkel om geheim te blijven.
Het koren huichelt dat het mij begrijpt.


En hoe het verhaal zich in twee richtingen afspeelt leest u in deze strofe. Interpretatiemogelijkheden te over, maar ik denk, dat deze cyclus enerzijds van de ik-figuur vertelt, anderzijds van het verdwijnend landschap. Daarbij, als de bossen verdwijnen is het hem onmogelijk zich nog langer schuil te houden en moet hij zijn ware gezicht laten zien.

Hoe hij de maaiers haat. De maaiers, die voor al diegenen staan, die hebben toegestemd, die voorstander waren voor het kappen van...omwille de...de geschiedenis herhaalt zich…

De maaiers naderen met snoeimessen,
achter hun rug verbergen zij de bijlen.
Een fakkeldrager sluit opnieuw de rij.
'


Over het - als laatste - toegevoegde gedicht Stoet (dat ooit Uitvaart heette) kan worden gezegd dat het qua locatie vrij dicht ligt bij Amersfoortsestraat en daarmee ook gekoppeld is in de huidige indeling. Er wordt door de jongen, die vanachter een raam een stoet in het zwart geklede kerkgangers bekijkt, in zijn verbeelding een spel gespeeld, waarbij hij de rol van uitvaartleider op zich neemt en vervolgens de plechtigheid van de stoet ontregelt en zijn wil oplegt ("de grote voeten lopen in zijn maat").
Behalve een zoete wraak van de jongen op de bedruktheid en vormelijkheid van zijn omgeving zie je hier een voorafschaduwing van de dichter die "zingt", maar dat doet in "een lege straat".

Omzichtig is te koop via uitgeverij Boekscout: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5183

zaterdag 10 januari 2015

Omzichtig gelezen 28 - Paardeheuvel

Voor een foto van de paardeheuvel zie:
http://www.gelderlandinbeeld.nl/TopView.php?module=topview&index=0

=

Ik kan bijna niet anders meer, dan denken aan de 'wij' in hem, maar toch, voor mijn gevoel zijn het herinneringen aan iedereen, die erbij zijn geweest. Zijn kameraden. Misschien wel zijn tweelingbroer. En zijn schaduw.

Het lidwoord 'de' springt in dit gedicht vaak en misschien wel te vaak in het oog. Het leidt mij af. 'door grijsaards' vind ik mooier.

Prachtige regels, nu ook weer, al komt het af en toe over als een herhaling van zetten. Maar binnen de herinnering en het herbeleven past het wonderwel.

Ik licht eruit:


Het zand was om te rennen, dus we draafden/die hele woensdagmiddag, tot de schemer zijn koude hand legde in onze nek.


Prachtig enjambement!

Om ons heen klonk het ijzer van strijders op mars

Toen het stof was gedaald en de mist uit de grond

kroop, renden wij voor ons leven, betaalden
een schatting van bloed aan de doornen rondom



Het gedicht begint met kinderspel, het rennen van de zandheuvel naar beneden, waarbij de voeten op het zand roffelen zoals paardehoeven dat ook doen (merk op dat het metrum van dit gedicht afwijkt van de overige, alsof je het roffelen hoort). De Paardeheuvel is de hoogste heuvel in het Wilbrinkbos. Ik heb daar als kind veel gespeeld, op woensdagmiddagen of tijdens verjaardagsfeestjes. Als tiener ontdekten we niet ver van de voet van deze heuvel een plek waar kogels lagen uit WO II, evenals andere resten zoals een deel van een gasmasker en gepantserd glas.
Uiteraard vergaten we regelmatig de tijd en kwamen we te laat thuis. In het gedicht is de reden daarvan niet uitsluitend het “vergeten van de tijd”, zoals kinderen vaker doen, maar zijn de “we” deel geworden van een andere, oudere wereld, waar de tijd van hier en nu geen rol speelt. Iets dergelijks wordt ook al aangegeven in Wilbrinkbos, waarmee dit gedicht een koppel vormt: “om argelozen in hun eeuw te lokken”.
Deze “andere tijd” is wel bekend bij de kinderen, immers volgens strofe twee “bij zwarte formuizen verhaald”. De vertellers zijn grijsaards, maar blijken (bij nadere beschouwing) vreemd in de huidige wereld, ze zijn immers “aan niemand verwant”.
Plotseling bevinden de “wij” zich middenin een leger op mars, “ijzer van strijders”, met “duizenden paarden”. Ik denk bij het lezen van dergelijke woorden niet aan een willekeurig leger, maar aan het leger van de Apocalyps: “en die daarop zat, zijn naam was de dood; en de hel volgde hem na. En hun werd macht gegeven om te doden tot het vierde deel der aarde, met zwaard, en met honger, en met den dood, en door de wilde beesten der aarde.” (Johannes 6:8).
Na het zien van dit visioen slaan de “wij” in strofe vier op de vlucht, “renden wij voor ons leven” en terwijl ze zich een weg banen door de doornstruiken, raken ze gewond. Hun bloed wordt “als schatting” betaald aan de doornen, zodat die hen doorlaten. Ook hier is sprake van een verwijzing naar Christus, naar zijn doornenkroon en zijn “verlossend bloed”.

De Paardeheuvel is niet zomaar genoemd naar een paard, dit stuk grond heeft een apocalypische lading en betekenis.

Omzichtig is te koop via uitgeverij Boekscout: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5183

woensdag 7 januari 2015

Omzichtig gelezen 27 - Twaalf Apostelen

Het kerkpad van Lochem naar Kasteel Ampsen, het eikenlaantje, wordt omzoomd door fraai oud geboomte. Vooral deze groep Zomereiken van ongeveer 250 jaar spreekt tot de verbeelding. Het schijnt dat dit laantje vroeger de "Twaalf Apostelen" werd genoemd, naar de twaalf erlangs groeiende oude eiken, waarvan er nu nog negen in leven zijn.

Vroeger werden niet alleen wilgen, maar ook eiken geknot. De eekschillers kookten de bast om leer te looien en het hout werd uiteraard ook gebruikt. Toen men eeuwen geleden stopte met dit gebruik, ging vanuit die knotten een enkele tak verder als boom. Bij deze specifieke boom gold het recht van de sterkste kennelijk niet en gingen er maar liefst 12 takken een nieuw leven beginnen.
Vanmorgen met zonsopkomst met een aantal collega's en een bevriende boswachter landgoed Wilbrinkbos in Voorthuizen bezocht. Zeer interessant, gezellig en leerzaam.
1/5 seconde, ISO400, uit de hand.

http://82.94.219.20/~jpa/lochem2.htm
http://gallery.zoom.nl/foto/650469/12-apostelen.html

=

De schrijver maakt het deze lezer niet gemakkelijk. Zou hij een schaker zijn, ik kon maar moeilijk van hem winnen. Gelukkig voor mij, schaken wij zonder klok.

Een groot metafoor duikt hier in de twaalf apostelen voor mijn ogen op. En ik? Ik hol erachteraan. Ik maan mij tot kalmte en laat de bomen mij hun verhaal vertellen. Dit is wat ik denk, vermoed:

Strofe een (terzine):

Twaalf uit één stam. Ik keek er niet van op:
zulke gezinnen liepen elke eerste dag
ons naar de kerk in marsorde voorbij.


De schrijver spreekt van bomen, daar waar ik kerkgangers zie. Hele gezinnen. In een stoet. Ik zie hen gaan in zwarte rok, met zwarte hoed en broek en zwarte, stugge ogen. Ogen, die mij niets vertellen (ik heb niets gedaan), maar hem des te meer.

Elke eerste dag. Telkens, als de zon weer even schijnt dreigen de schaduwen. M.a.w. op elk moment, dat hij de gebeurtenissen voor een moment vergeet en weer iets van levensvreugde voelt is daar wel iets of iemand die hem eraan herinnert. Herinnert aan het Grijze Veen en daarna aan Wikselaar. Of vice versa. Om maar niet te spreken van: Eiland Knoek, de Beulekampersteeg, Carpe mortem, Kolkplas, het Solse Gat, (entr'acte 1) Bosbouw, De jonkers en (entr'acte 2) Woningbouw.

Strofe twee [het eerste kwatrijn):

Meer namen dan het kerkhof bergt zijn in
de schors gekerfd, ten leven opgetekend, nu
geen mens meer van hun overspel getuigt.
Geen boom schrijft met zijn vingers in het zand.


Prachtige regels.

Meer namen dan het kerkhof herbergt, hebben in de bossen gedwaald, op zoek naar het waarom. Er zijn geen mensen meer, die kunnen getuigen van de gebeurtenissen. Géén enkel krachtig persoon, zal zichzelf noch de ander verraden.

Strofe drie [het tweede kwatrijn):

Wortels hebben verkruimeld wat hen voortgebracht
heeft, nooit verzonnen lettergrepen
tot hoogst verdachte zinnen spraakgebroken,
het overblijfsel een verdoemde taal gemaakt.


Technisch gezien kom ik er niet helemaal uit. Ik heb het gevoel, dat ik iets mis. Maar ook al gaan er geruchten, ook al werden de oude waarden en normen aan de kant geschoven, wat er overblijft, daar moet hij [en moeten zij] het mee doen.

De vierde strofe [het tweede terzine):

Grondwater daalt, het bos is voor de bijl
gegaan door wegbereiders van de laatste
leegte, voor wie ik te diep wil delven.


Dat wat was komt nooit meer terug. Daar waar hij voor stond ook niet meer. En hoe hij ook graaft, het lijkt nooit diep genoeg. Het lijkt een tijd van stilstaan, verdrietig zijn en verwerken.




De twaalf apostelen is een groep samengegroeide beuken in het Wilbrinkbos, niet ver van de Paardeheuvel. De “ik” verwondert zich niet over het aantal, omdat hij deze aantallen kent van grote gezinnen die hij ’s zondags tijdens de gang naar de kerk heeft waargenomen. Door het woord “marsorde” denk je ook aan soldaten.
De blik van de “ik” gaat echter naar de schors, waarin zoveel namen gekerfd zijn dat het het aantal doden op het kerkhof overtreffen. Wanneer je de schors van zo’n oude boom bekijkt, zie je ook dat oude initialen door het groeien en rekken van de schors zijn vervaagd en dat daaroverheen nieuwe letters gekerfd zijn. Het woord “gekerfd” heeft de bijbetekenis van “kerfstok”, ze hebben dus iets op hun geweten. Maar ze zijn niet “ten dode opgeschreven” zoals op het kerkhof het geval is, maar “ten leven opgetekend”. Er zijn immers geen getuigen van “hun overspel”, zodat niemand ze zal aanklagen voor wat ze gedaan hebben. Integendeel, door hun initialen in de boomschors leven ze eeuwig voort.

Maar dan die vreemde regel: “Geen boom schrijft met zijn vingers in het zand.” Ik ken bomen met lange laaghangende takken, die na een storm flinke groeven hadden “geschreven” in het zand op de bodem. Dat beeld speelt hier een rol. Maar dat is niet alles.
Het schrijven in het zand is een verwijzing, enerzijds naar Achterberg’s gedicht En Jezus schreef in ’t zand en (ook via dat gedicht) naar de Bijbel: Johannes 8:8. Deze tekst spreekt over de Farizeeën die een overspelige vrouw bij Jezus brengen om bij hem een oordeel uit te lokken dat ze tegen hem gebruiken kunnen. Hij schrijft echter in het zand. Dat schrijven in het zand is weer een verwijzing naar Jeremia 17:13, waar staat: “HEER, bron van Israels hoop, wie u verlaten, zullen te schande staan, wie van u weggaan, zullen in het stof worden geschreven, want ze hebben de HEER, de bron van levend water, verlaten”. Jezus rekent door in het zand te schrijven de Farizeeën tot godverlaters.

Terug naar de boom. De boomschors spreekt niemand vrij, ook al zijn er geen getuigen meer. Hun schuld staat in de schors geschreven en blijft daar voor altijd zichtbaar.
In strofe drie legt de dichter een verband tussen de kwaadaardige bodem (waarvan al op meer plaatsen eerder in de serie sprake is) en de taal die daarin ligt. Na de initialen van de overspeligen is het de beurt aan de klanken in de grond, die door de wortels “verkruimeld” zijn en via de stam in de schors zijn terechtgekomen. De initialen kun je in dit licht lezen als vervloekingen, als boze taal uit de bodem.
In de laatste strofe wordt duidelijk dat het grondwater daalt, dat de levenskracht die ook in de grond huist, wordt weggezogen door de “wegbereiders van de laatste leegte”. Je zou hierin de voorbereidingen kunnen zien die worden getroffen voor het vergaan van de aarde, maar, minder ingrijpend, ook de ontwikkelingen die het vroegere landschap laten verdwijnen. Misschien kun je hier ook nog wel denken aan het verdwijnen van het christelijke karakter van de bevolking, dat deze streek zo lang gekenmerkt heeft.

De laatste regel duidt wellicht op het graven van de dichter of de “ik” naar het (diep weggekropen) grondwater. Het is ook een verwijzing naar het gedicht Begraafplaats, waarmee met dit gedicht ooit een koppel vormde. Niet alleen de namen en het kerkhof, maar ook het delven (in Begraafplaats graaft de “ik” niet diep genoeg, hier juist te diep) verbinden deze gedichten.

Omzichtig is te koop via uitgeverij Boekscout: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5183

maandag 5 januari 2015

Omzichtig gelezen 26 - Solse Gat

Het Solse Gat (ook wel Solsche Gat) is een grote kuil in het bos van de noordelijke Veluwe en valt onder de Nederlandse gemeente Ermelo.

De kuil bevindt zich middenin het Sprielderbos tussen Putten, Garderen en Drie. Vermoed wordt dat het merkwaardig grote gat in de bodem is ontstaan door een enorm brok smeltend ijs in de ijstijd. In dat geval zou het een pingoruïne zijn. Een andere mogelijkheid zou zijn dat het een stuifkuil betreft. Over beide mogelijkheden is echter niets met zekerheid bekend. Een dergelijk verschijnsel komt nergens anders in de omgeving voor.

Volgens een oude legende stond op de plek van het Solse Gat eens een klooster. De Frankische koning Clovis bekeerde zich tot het Christendom en verwachtte van zijn onderdanen dat ze hetzelfde deden; de monniken verkochten volgens de overlevering echter hun ziel aan de duivel waarna het klooster met alles erop en eraan de bodem inzakte.

Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Solse_Gat

=

Nog meer informatie:

De Metten, ook wel lezingendienst genoemd, wordt gebeden om 4-5 uur in de ochtend.
Het is het eerste officie van de hele dag, vooral in abdijen en kloosters. Daar neemt men naar de letter wat Jezus tot zijn leerlingen zei in het uur van de bekoring in de Olijfhof: "Waakt en bidt..." (Mt 26, 41). Dit gebedsuur van de metten is hoofdzakelijk meditatief. De psalmen spreken er van Gods grote daden, van zijn wijsheid en zijn goedheid. Er wordt gelezen uit de Schrift en uit de geestelijke literatuur doorheen de eeuwen. De lezingendienst is zo de dagelijkse portie voedsel voor het innerlijk leven van de christen, volgens een bedacht dieet: een mengeling van lyriek, meditatie, gebed, lofspraak en onderricht.

De metten is als volgt opgebouwd:

een hymne,
drie psalmen met antifonen,
twee lezingen met beurtzang: één schriftlezing uit de eigen teksten van de liturgische tijd, een tweede lezing ontleend aan de geschriften van de Vaders of kerkelijke schrijvers.
een lofzang,
afsluitend gebed

Bron:: http://www.getijden.nl/pagina.php?n=105

De completen, ook wel dagsluiting genoemd, wordt gebeden om 20-21 uur.
Het woord wil zeggen: voltooiing. De completen maken de kringloop van het dagelijks kerkelijk bidden vol. Ze zijn een parel van rust en uitdrukking van een grote gebedsintimiteit met God. We kijken even terug naar de dag en naar wat goed en minder goed was. Monniken zingen altijd dezelfde psalmen van rust en overgave. Vooral psalm 4 en 91 "Vredig leg ik mij neer en ik slaap al.." (Ps 4, 9). - "Onder de schaduw van de Allerhoogste..." (Ps 91, 1).
De completen nemen ook elke avond het lied van Simeon in de mond: "Heer, laat nu uw dienaar in vrede heengaan... mijn ogen hebben uw heil aanschouwd..." (Lc. 2, 29). En de dag sluit af met de Mariahymne, een laatste blik op Maria, beeld en belofte van ons heil.

De completen is als volgt opgebouwd:

gewetensonderzoek,
een hymne,
één psalm met antifoon,
korte schriftlezing,
beurtzang,
de lofzang van Simeon met antifoon,
afsluitend gebed,
aanroeping van Maria.

Voor een voorbeeld van een dagsluiting - zowel tekst als geluid - kunt u kijken op: www.abdijsion.nl/Bidden.htm

http://www.getijden.nl/pagina.php?n=118

=

Ik heb het gevoel, dat hij haar vermoordde. Het meisje, uit deel 11. ‘Carpe mortem’.

Een kind zei: “volg je mij?” en ik begreep
niet waar het wilde heengaan. Stap voor
kleine stap het listig koren in liep ik haar na.

Zij zong hetzelfde liedje, tot ik van de wijs
mijn grote handen niet meer vast kon houden.


Hij verkocht zijn ziel aan de duivel. En nu moet het lijk verdwijnen, zoals het klooster verdween in het Solse Gat. Enkel de legende zal blijven..

Een schitterende regel vind ik:

Mijn keelschroef stopt het stromen niet.

Ik twijfel even over de bomen, die al eeuwen staan te wachten. Las ik zulks niet al eerder? Of waan ik mij nog steeds in het Somberwoud, ook zonder dat de schrijver het over bomen en eeuwen heeft? En dat, terwijl ik het ‘tot iemand hun verhaal VERhoren wil’ weer heel bijzonder vindt. Die bomen, die al getuige waren van zoveel. Die hij hier gezicht en een eigen denken geeft. Omdat het in de poëzie mogelijk is. Mooi!

En dan de ‘karmozijnen woorden’. ‘In mijn rug’. Niet in zijn handen, niet op zijn voorhoofd. Nee, in zijn rug, het dieprood, alsof het hem achtervolgt ja, zo is dat. Het zal hem ook achtervolgen, tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Al met al een gedicht, dat in het grote geheel wonderwel past. Chapeau!





Een gedicht over het Solse Gat is in een serie als deze onvermijdelijk. Niet alleen vanwege de bij de plek horende legende, maar omdat er geen kind uit de omgeving deze plaats onbezocht kan hebben gelaten. Een wandeling met de grootouders, een verjaardagspartijtje, een zondagmiddag die druilerig begon maar tijdens het autoritje onverwacht opklaart.
In de volksverhalen is deze plaats vervloekt, waarvoor diverse oorzaken worden gegeven: losbandige monniken en nonnen, duivels of reuzen. In het gedicht wordt voortgebouwd op de lusten van de monniken en nonnen. De “zij” draagt een habijt en kan daarom een non zijn. De “ik” beleeft zijn lust aan haar, met een gewelddadig karakter: “hongerige nagels”, “bloed”, “stromen” en “keelschroef”. Hoewel het niet expliciet wordt gemaakt, valt aan te nemen dat de “zij” aan het eind van strofe twee dood is.
Strofe drie toont de wereld in een luguber blauwzwart licht en beschrijft de bomen die “al eeuwen” wachten tot “iemand hun verhaal verhoren wil”. Waren deze bomen getuige van de misdaden die de legendarische monniken en nonnen hebben gepleegd? Is wat er in de voorgaande strofen gebeurde een straf of juist een onvermijdelijke analogie? De betekenissen van “verhoren” lopen uiteen van “ondervragen” tot “luisteren naar een gebed”.
In de vierde strofe heeft de “ik” zijn huid afgestroopt en “hangt” hij zich “te drogen” tussen de takken. Je zou kunnen denken dat de “ik” zich hier heeft verhangen. Er is ook een verwijzing naar perkament, dat immers van huiden gemaakt werd. Met “karmozijn” wordt verwezen naar de Bijbel: Jesaja 1:18 zegt: “Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.”

Hier raken we ook een poëticale laag van het gedicht, waarbij de “karmozijnen woorden op mijn rug” duiden op een gedicht, dat vanuit bloedschuld geschreven is. In deze laatste regels beschrijft het gedicht zijn eigen ontstaan.

Omzichtig is te koop via uitgeverij Boekscout: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5183